Het werk van Erich Neumann

 

20.1

bladzijde 1 van 5

 

Inleiding

Het proces van uitkristallisatie van het Ik werd door een leerling van Jung, Erich Neumann, op zeer heldere wijze beschreven (*). Nu we ons, voor de speurtocht op deze site, in toenemende mate met het Ik bezig houden, zie ik zijn werk als een welkome bijdrage voor onze begripsvorming. Daarom wil ik hier graag een samenvatting van zijn visie in deze geven.  

 

De natuur

Een kleine baby die nog geen "ik" zegt, zo stelt Neumann, identificeert zich met anderen buiten hem. De allereerste mens waarmee hij te maken krijgt, is doorgaans de moeder. Door de heel jonge baby wordt zij dan nog niet ervaren als een persoon, maar meer als een natuurwezen, een vanzelfsprekende aanwezigheid die voedt, beschermt, warmte geeft, veiligheid biedt, er altijd is, en op hem reageert wanneer hij zich laat horen. Dit moederbeeld roept geen persoonlijke relatie op, het stelt zich ook niet persoonlijk op: het is de natuur in iedere moeder (en vader) die het beschermende gedrag genereert. In de baby ontwikkelt zich in deze fase zijn eigen natuurlijke basis, zijn eigen omhullende Maan van wie hij alles krijgt, als primaire verbinding met het mysterievolle leven.

 

Spiegel

Naarmate de baby groeit en meer zijn omgeving in de gaten krijgt, begint deze moederfiguur als spiegel te werken. Het kind lacht en het gezicht van moeder lacht terug. Binnen een symbiotische eenheid is er tussen beide een spel van actie en reactie, waardoor vanuit de echo van de moeder het kind tot identificatie komt. In deze fase wordt de samenwerking van Maan en Saturnus voor het eerst merkbaar (18.5).
Belangrijk is nu, dat de ontwikkeling van deze identificatie bij jongens langs andere lijnen verloopt dan bij meisjes. Dit verschil is terug te voeren op het startpunt dat zij beide hebben, de moeder.

 

De mannelijke en de vrouwelijke pool in de ziel

Eigenlijk moeten we hier niet spreken van de jongen en het meisje, maar van de mannelijke en de vrouwelijke pool in de ziel. In het psychische veld treden in de mannelijk-vrouwelijke aard van de mens zoveel mengvormen op als er mensen zijn, zodat er in ieder mens steeds sprake is van beide ontwikkelingen tegelijk. Gemakshalve spreek ik hierna toch over de jongen en het meisje. De lezer kan dit dan opvatten als de mannelijke en de vrouwelijke pool in de ziel.

 

 

literatuurlijst, onderwerpen per pagina, woordenlijst, afbeeldingen,

tabellen en schema's, blauw gemarkeerde teksten